Advocaten Haarlem schaken

Het opschortingsrecht als verweermiddel

Het opschortingsrecht kan een sterk verweer zijn voor ondernemers in procedures bij de rechtbank. Vaak moeten ondernemers over en weer prestaties verrichten op grond van bestaande contractuele verplichtingen. Wanneer een ondernemer zijn verplichtingen niet of niet juist nakomt kan de andere partij onder omstandigheden zijn eigen prestaties opschorten zonder schadeplichtig te worden. Tijdens procedures is het vaak de vraag welke partij een beroep kan doen op het opschortingsrecht en wat de gevolgen hiervan zijn.  SVZ advocaten is gespecialiseerd in het aansprakelijkheidsrecht en kan ondernemers verder adviseren over het opschortingsrecht in en buiten procedures.

Advocaat opschortingsrecht

Het opschortingsrecht kan gebruikt worden als pressiemiddel. Doordat de ondernemer zijn eigen prestatie achterhoudt zal de andere partij eerder presteren, bijvoorbeeld de factuur betalen. Het opschortingsrecht kan ook gebruikt worden als opstap naar verrekening waarbij feitelijk vorderingen over en weer tegen elkaar worden weggestreept. In dat geval dient het opschortingsrecht eigenlijk als zekerheidsrecht. Ook kan onder omstandigheden na opschorting overgegaan worden tot ontbinding van de overeenkomst.

Wettelijke vereisten opschortingsrecht

In beginsel is het de ondernemer alleen toegestaan om de eigen verplichtingen op te schorten als er sprake is van een opeisbare vordering. Dit betekent dat de vordering of prestatie afgedwongen kan worden. De opeisbare vordering kan ook een vordering uit schadevergoeding zijn omdat de wederpartij bijvoorbeeld zijn werkzaamheden niet goed of te laat heeft uitgevoerd. Voor een beroep op opschorting moet duidelijk zijn dat een vordering bestaat. Voor het opschortingsrecht is niet vereist dat op dat moment al vast staat hoe groot deze vordering precies is.

De tegenvordering moet dus opeisbaar zijn. Voor toepassing van het opschortingsrecht is niet absoluut noodzakelijk dat de wederpartij ingebreke is gesteld en hierdoor in verzuim is komen te verkeren. Ook hoeft de tekortkoming van de wederpartij niet toerekenbaar te zijn. Voldoende is dat dat de wederpartij de prestatie niet verricht terwijl deze prestatie wel opeisbaar is.

In bepaalde omstandigheden kan al worden opgeschort voordat de tegenvordering opeisbaar is geworden. Dit is geregeld in de artikelen 6:263 BW en artikel 6:80 BW. Het komt er op neer dat indien voordat de tegenvordering opeisbaar is geworden duidelijk wordt dat de wederpartij zijn verplichtingen niet kan of wil nakomen de eigen verplichting opgeschort mag worden. De kennis en omstandigheden waarop dit wordt gebaseerd moeten deze conclusie wel rechtvaardigen. Het kan gaan om mededelingen van de wederpartij of duidelijke handelingen (bijvoorbeeld verkoop van een goed aan een derde van het al verkochte goed). Voordat in dergelijke gevallen een beroep wordt gedaan op het opschortingsrecht is het van belang deskundig advies in te winnen.

Opschorting: samenhang vorderingen

Voor een beroep op het opschortingsrecht moeten de wederzijdse verplichtingen voldoende met elkaar samenhangen. Aan dit vereiste wordt natuurlijk voldaan bij wederkerige overeenkomsten. Er is dan sprake van direct tegen elkaar staande verplichtingen. Een voorbeeld is de betaling van de koopprijs en de overdracht van een verkochte zaak.

Ook buiten wederkerige overeenkomsten kan er echter sprake zijn een voldoende nauw verband tussen de verschillende verplichtingen. Artikel 6:52 lid 1 BW bepaalt dat tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang moet bestaan om deze opschorting te rechtvaardigen. Als partijen bijvoorbeeld vaker binnen dezelfde branche zaken met elkaar doen op basis van steeds nieuwe contracten zal er sprake zijn van voldoende samenhang ook als is de tegenvordering gebaseerd op een ander contract. Toch zijn er veel grensgevallen waarbij het verstandig is vooraf advies in te winnen.

Tegenvordering moet opschorting rechtvaardigen

Soms wordt een prestatie door de wederpartij wel verricht en is deze slechts gedeeltelijk gebrekkig. Er worden bijvoorbeeld 90 jassen geleverd in plaats van 100. Artikel 2:262 BW bepaalt bij wederkerige overeenkomsten dat alleen sprake is van een opschortingsrecht als de tekortkoming dit rechtvaardigt. Voorgaande geldt overigens ook bij opschortingen waarbij geen sprake is van een wederkerige overeenkomst. Het komt er op neer dat het opschortingsrecht altijd met (enige) redelijkheid toegepast dient te worden. In sommige gevallen kan gedeeltelijk opschorting of het stellen van een nadere termijn gevraagd kunnen worden. De redelijkheid en billijkheid is dan ook van toepassing op het opschortingsrecht.

Procedure rechtbank en opschortingsrecht

In een procedure wordt bijvoorbeeld door de wederpartij betaling van een openstaande factuur gevorderd. Als u vervolgens stelt een tegenvordering te hebben en een beroep doet op opschorting kan dit een sterk verweermiddel zijn. De rechter zal in dat kader dan onderzoeken of de tegenvordering bestaat en of deze vordering voldoende is voor het beroep op opschorting van (de hele) factuur. Het opschortingsrecht wordt dan gebruikt als verweermiddel en hoeft niet noodzakelijk gecombineerd te worden met een tegeneis waarbij betaling van de tegenvordering wordt gevorderd. De rechter zal bij de beoordeling van dit verweer geen diepgravend onderzoek instellen maar kan volstaan met een voorshands oordeel over de tegenvordering en de hoogte van deze tegenvordering. In de procedure kan in beginsel niet volstaan worden met een beroep op opschorting. Ook zal moeten worden aangegeven of bijvoorbeeld alsnog nakoming, schadevergoeding of ontbinding wordt gewenst.

Het opschortingsrecht brengt risico’s met zich mee

Het opschortingsrecht brengt risico’s met zich mee indien zonder goede grondslag een beroep wordt gedaan op opschorting. In dat geval zal ten onrechte de prestatie zijn achtergehouden. Er is dan is de meeste gevallen sprake van een toerekenbare tekortkoming. Door het bewust achterhouden van de prestatie zal er sprake zijn van verzuim en schadeplichtigheid. De gevolgen hiervan kunnen groot zijn.

Het komt vaak voor dat niet expliciet een beroep is gedaan op het opschortingsrecht. Partijen hebben bijvoorbeeld onenigheid gekregen over de kwaliteit van het werk, de betalingen of de afgesproken termijnen. Het komt voor dat partijen dan de samenwerking tijdelijk staken en dat een procedure wordt gestart. Er zal dan nauwkeurig bepaald moeten worden welke partij het eerst had moeten presteren en welke partij terecht een beroep heeft kunnen doen op opschorting. Van belang is dat in de procedure voor het eerst een beroep kan worden gedaan op het opschortingsrecht. Als dat eerder vergeten is om te melden hoeft dit dus niet direct een groot probleem te zijn. De Hoge Raad heeft bepaald dat de bevoegdheid tot opschorting moet worden gezien als een verweermiddel van de schuldenaar in verband met een tegenvordering die hij op zijn schuldeiser heeft. Hierdoor kan een beroep op een opschortingsrecht in beginsel steeds worden gedaan door de schuldenaar ook wanneer de schuldeiser in rechte een vordering tot nakoming instelt. Dat eerder hierop geen beroep is gedaan staat hieraan niet in de weg. Uiteraard gelden ook hier wel weer de eisen van redelijkheid en billijkheid en kan het beroep op opschorting niet als een volledige verassing komen.

Advies SVZ advocaten over het opschortingsrecht

In een procedure kan het opschortingsrecht een sterk verweermiddel zijn waardoor de vordering van de wederpartij kan worden afgewezen of een sterkere onderhandelingspositie kan worden gecreëerd. Voor meer informatie over het opschortingsverweer tijdens procedures kunt u contact opnemen met Marinus van Zijtveld van SVZ advocaten ([email protected]).