locker red

Wanneer is navordering door Belastingdienst toegestaan?

Navordering door de Belastingdienst, waarbij wordt teruggekomen op een eerder opgelegde aanslag, is niet altijd toegestaan. Wanneer achteraf blijkt dat te weinig of ten onrechte geen belasting is geheven kent artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) de fiscus de bevoegdheid toe om onder voorwaarden na te vorderen. Deze bevoegdheid ziet op de heffing van aanslagbelastingen, zoals de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting. Indien u geconfronteerd wordt met navordering door de Belastingdienst is het belangrijk om advies in te winnen over uw verweer- en bezwaarmogelijkheden. Geschillen kunnen ontstaan over de bevoegdheid tot navordering in een concrete situatie waarbij al sprake is van een definitieve aanslag.

Navorderingsaanslag

Op grond van artikel 11 eerste lid AWR is het de inspecteur die de aanslag vaststelt. Door middel van de aanslag wordt een materiële belastingschuld geformaliseerd. Zo ook het geval bij de navorderingsaanslag, ook bij deze aanslag wordt de materiële belastingschuld geformaliseerd. Om de onzekerheid van de belastingplichtige over zijn fiscale positie te beperken is de bevoegdheid om na te vorderen aan een aantal voorwaarden verbonden. Herstel van een aanslag moet dan ook geschieden door het opleggen van een navorderingsaanslag onder strikte voorwaarden.

In artikel 16 lid 1 eerste volzin AWR wordt een limitatieve opsomming gegeven van gevallen waarin kan worden nagevorderd. Navordering door de Belastingdienst kan aan de orde komen in de volgende gevallen:

  • Een aanslag is ten onrechte achterwege gelaten
  • De aanslag is tot een te laag bedrag vastgesteld
  • Een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting is ten onrechte verleend
  • Een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting is tot een te hoog bedrag verleend

Verder zijn er in artikel 16 lid 2 AWR nog enkele bijzondere situaties genoemd waarbij navorderen ook mogelijk is. Dit gaat onder andere om situaties waarbij fouten die zijn gemaakt bij bijvoorbeeld verrekeningen van voorlopige aanslagen.

Nieuw-feitvereiste

De hoofdregel is dat navordering door de Belastingdienst alleen is toegestaan indien is voldaan aan het nieuw-feitvereiste of indien sprake is van kwader trouw. In de tweede volzin van het eerste lid van artikel 16 AWR wordt gegeven dat een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geen grond kan opleveren voor navordering tenzij de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Dit betekent in de eerste plaats dat de inspecteur moet beschikken over een nieuw feit dat hem ten tijde van het vaststellen van de aanslag niet bekend was. Het kan dus niet zo zijn dat herstel plaatsvindt door een onjuist inzicht van de inspecteur in het recht of door feiten die de inspecteur reeds bekend waren. Aan welke vereisten moet zo’n nieuw feit dan voldoen?

Van de inspecteur wordt in ieder geval verwacht dat hij zorgvuldigheid in acht neemt bij het opleggen van de aanslag en dat de aanslag zo correct mogelijk wordt opgelegd. Erg ver gaat deze nauwkeurigheid niet aangezien het gaat om een feit dat de inspecteur “redelijkerwijs” bekend had kunnen zijn. De inspecteur mag afgaan op de gegevens in de aangifte maar bij gerede twijfel moet hij nader onderzoek doen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de algemene ervaringsregels zoals een vergelijking van brutowinstpercentages in de desbetreffende branche, zie hiervoor ook een bekende uitspraak van de Hoge Raad (BNB 1955/214). Het is gelukkig wel zo dat de zorgvuldigheid van de inspecteur rechtszekerheid voor de belastingplichtige biedt waardoor niet zomaar kan worden nagevorderd. Heeft u te maken met navordering en vraagt u zich af dit is toegestaan? SVZ advocaten is gespecialiseerd in fiscaal recht en kan u adviseren over de mogelijkheden en over de vraag of in uw geval is voldaan aan het nieuw-feitvereiste.

Ambtelijk verzuim

Een feit is niet nieuw als dit een gevolg is van een verwijtbaar onjuist inzicht in het recht of de feiten van de inspecteur. Correctie door de inspecteur van al bekende feiten of simpel gezegd wanneer de inspecteur fouten maakt die aan hem te wijten zijn en de inspecteur een ambtelijk verzuim begaat, is via de weg van navorderen niet mogelijk. In een dergelijk geval is navordering door de Belastingdienst niet toegestaan. Het ambtelijk verzuim staat aan navordering in de weg en de inspecteur verzaakt hiermee zijn onderzoeksplicht.

Uitzonderingen: navordering zonder nieuw feit

Wel is het zo dat er een uitzondering op deze hoofdregel bestaat op grond van de zogenaamde schrijf- en tikfoutenleer (artikel 16 lid 2 sub c AWR). Voor navorderen op grond van deze uitzondering is verdere uitleg gegeven in jurisprudentie (HR 6 juni 1973). Het moet voor de belastingplichtige onmiddellijk duidelijk zijn – in één oogopslag (hebben) kunnen zien –  dat er een fout is gemaakt. Daarbij gaat het erom wat redelijkerwijs kenbaar is; het gaat hier om kenbaarheid van een belastingplichtige met gemiddelde kennis van en gemiddeld inzicht in het fiscale recht. Dit wordt ook wel het kenbaarheidsvereiste genoemd. Let wel op dat het begrip fout hierin neutraal en ruim moet worden opgevat.

Aanslag wijkt 30% af van belastingschuld

Daarnaast volgt uit het tweede lid van artikel 16 AWR dat navordering mogelijk is als de te weinig geheven belasting ten minste 30% bedraagt van de op grond van de belastingwet verschuldigde belasting. Deze grens is een niet weerlegbaar bewijsvermoeden. Blijkt dat de belastingaanslag ten minste 30% afwijkt van de belastingschuld, dan wordt aangenomen dat het de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Toetsing aan het kenbaarheidsvereiste is dan niet meer nodig. De termijn is twee jaar nadat de onjuiste aanslag is vastgesteld en niet op het moment van ontstaan van de belastingschuld.

Kwade trouw en navordering door Belastingdienst

Geen nieuw feit is verder nodig als de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. De kwade trouw moet gericht zijn op het feit dat grond oplevert voor navordering ter zake van dit feit én kwade trouw omvat zowel opzet – gericht op het niet bekend zijn van het feit bij de inspecteur – als voorwaardelijk opzet. Uit een arrest van de Hoge Raad (31 januari 2003) blijkt het volgende:

‘’Evenmin heeft het Hof vastgesteld dat, zoals voor een voorwaardelijk opzet op dit punt is vereist, belanghebbende zich ervan bewust is geweest dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de aangifte (..) onjuist was maar zich daardoor niet heeft laten weerhouden de aangifte te doen zoals hij heeft gedaan en zich aldus willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans een onjuiste aangifte te doen.’’.

Samengevat moet er sprake zijn van een willens en wetens handelen met aanmerkelijke kans dat de aangifte onjuist was. De toerekening vindt dan ook plaats indien de belastingplichtige ten aanzien van dat feit de inspecteur opzettelijk juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. Bewustheid van het (voorwaardelijk) opzet moet bij de belastingplichtige aanwezig zijn bij het doen van de aangifte of bij het verstrekken van inlichtingen.

Kwade trouw bij verkeerd advies adviseur?

In het geval de boekhouder of adviseur te kwader trouw heeft gehandeld, en de belastingplichtige zelf niet, kan dit voor de beoordeling van artikel 16 AWR toch aan de belastingplichtige worden toegerekend. Bij de beoordeling of een vergrijpboete moet worden opgelegd is dit in beginsel niet het geval en kan een lagere of geen boete worden opgelegd indien er vertrouwd mocht worden op een advies van een adviseur. Dit betekent dat de Inspecteur geen nieuw feit nodig heeft als de adviseur/boekhouder te kwader trouw heeft gehandeld maar in een dergelijk geval niet automatisch een vergrijpboete kan opleggen.

Vrijwillige verbetering: matiging boete?

Stel nu dat een belastingplichtige toch een fout heeft gemaakt dan kan hij de fout binnen twee jaar herstellen nadat hij een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan of aangifte had moeten doen. Deze vrijwillige verbetering moet wel plaatsvinden vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden. De inspecteur legt in deze situatie geen boete op. Vindt herstel plaats ná deze tweejaarstermijn dan wordt er wel een boete opgelegd maar kan de inspecteur alsnog rekening houden met de vrijwillige verbetering en kan de boete lager uitvallen.

Navorderingstermijnen

Volgens artikel 16 derde lid AWR vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, dan wordt de navorderingstermijn met de duur van dit uitstel verlengd.

In het derde lid is een beperkte navorderingstermijn bij herstel van fouten opgenomen. In een situatie als deze vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag door verloop van twee jaren na het tijdstip waarop het besluit is genomen om geen aanslag op te leggen, dan wel de belastingaanslag is vastgelegd

Met betrekking tot heffing van belasting over een bestanddeel in het buitenland opgekomen of in het buitenland wordt gehouden geldt een navorderingstermijn van 12 jaar. Ook deze termijn kan worden verlengd als er uitstel is verleend voor het doen van aangifte.

Navorderingsaanslag buiten termijn: maak bezwaar

Belangrijk om nog op te merken is dat een navorderingsaanslag – die buiten de termijn is opgelegd– niet van rechtswege nietig is. De belastingplichtige moet tijdig beroep doen op de termijnoverschrijding om de navorderingsaanslag vernietigd te krijgen. Het is dan ook belangrijk dat tijdig bezwaar- of beroep wordt ingesteld tegen een onjuiste navorderingsaanslag.

Advies SVZ advocaten bij navordering

Bent u het niet eens met uw navorderingsaanslag of heeft u hulp nodig bij het doen van aangifte? Onze belastingadvocaten kunnen u hierin begeleiden en u vooraf adviseren over de mogelijkheden.